toespraak Ineke

 

Ik was 29. Ik stond daar aan de werkbank van De Kuch. Iets boven ooghoogte begon een raam. Ik zag de boomtop. Ruud woog de deegstukken af. Ik gaf ze een eerste opmaak. Ik keek naar buiten, heel gelukkig om daar te staan. Mijn handen aan het deeg. En dat na zes jaar sociale arbeid, het vak waarvoor ik eigenlijk opgeleid was. Jan, mag ik jou het eerste boek aanbieden


Dat innig tevreden gevoel om met mijn handen te werken, is de rest van mijn leven gebleven. Mijn vader had natuurlijk ook gelijk: hebben we jou daarvoor laten leren?


Jazeker vader. Je hebt me laten leren. En wat je daarna ook doet, dat ontwikkelde verstand neemt niemand je meer af. Na tien jaar brood bakken heb ik witlof gestoken, champignons geplukt, in de fabriek gewerkt en daarna ben ik heel lang postbode geweest. Daarnaast bakte ik mijn eigen brood, gaf brood baklessen in de Refter, in de Knollentuin, thuis, schreef over de lange rijstijden van het Franse brood, maakte een paar boeken voor uitgeverij Becht.

Ik zaaide spelt bij mijn geliefde op een stukje klei. Ik kocht een kilo kamut en zaaide kamut. Ik was gewoon lekker aan het spelen zogezegd. Wie thuis bakt, die heeft veel vrijheid. Je hoeft de broden alleen maar zelf op te eten. Zo kon ik vanzelf niet denken toen ik de bakkerij nog had. Zo kan vanzelf geen enkele bakker denken, die elke dag weer verkoopbare producten op de plank moet zetten.  

      
De laatste jaren had ik het gevoel: ik ben tot een soort grote lijn gekomen. Zoveel mogelijk water op het meel proberen te krijgen. Het deeg zo lang mogelijk laten rijzen. Allerlei graan gebruiken, het deeg allerlei vormen geven. Ik dacht: ik wil dit alles mee delen. Een soort samenvatting van mijzelf en een soort uitdelen aan mijn mede broodbakkers.


Dat heb ik nu gedaan. Ik draag het boek op aan vader Jan, die ons meenam naar de rogge akkers. En aan geliefde Jan. Hij kwam met een zak tarwemeel de bakkerij binnen en ik was verkocht.
Beide Jannen zweven vrolijk in een andere dimensie. Daarom wil ik het eerste exemplaar uitreiken aan de Jan, die ze allebei heel goed gekend heeft, mijn oudste broer.